direct naar inhoud van HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSVOORSCHIFTEN
Plan: Wirdum - Hof 1
Status: Ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00800000WP08001OW-

Artikel 5:    Woondoeleinden 3

5. 1.       Bestemmingsomschrijving

De voor woondoeleinden 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep;

b.    aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

waarbij, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”, de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen wordt nagestreefd;

met de daarbijbehorende:

c.    tuinen en erven;

d.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5. 2.       Bouwregels

 

5. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a.    als hoofdgebouw mag uitsluitend een woonhuis worden gebouwd;

b.    een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen;

d.    een hoofdgebouw zal worden voorzien van een kap;

e.    de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 20° bedragen;

f.     de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 80° bedragen;

g.    de (bouw)hoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen.

 

5. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

a.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen per hoofdgebouw zal ten hoogste 50 m² bedragen, met dien verstande dat:

-       de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 50% van het erf zal bedragen;

b.    de goothoogte van een aan- en uitbouw of bijgebouw zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

c.    de dakhelling van een aan- en uitbouw of bijgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

 

5. 2. 3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan zal ten hoogste 1,00 m bedragen;

b.    de hoogte van overige erfafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;

c.    de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

 

5. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.    een goede woonsituatie;

b.    een goede milieusituatie;

c.    de sociale veiligheid;

d.    de verkeersveiligheid; en

e.    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5. 4.       Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

-       het bepaalde in lid 5.2.2. sub a en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen per hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 100 m², met dien verstande dat:

-       de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 50% van het erf zal bedragen;

 

mits deze ontheffing geen onevenredige aantasting oplevert van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

5. 5.       Sloopvergunning

5. 5. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (sloopvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

-       het slopen van gebouwen, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”.

 

5. 5. 2. Het in lid 5.5.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

5. 5. 3. De in lid 5.5.1. sub a genoemde vergunning kan uitsluitend worden verleend, indien:

a.    de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;

b.    de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;

c.    het delen van het pand of bijgebouwen betreft die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.

 

5. 6.       Gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van detailhandel;

c.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep;

e.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

f.     het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

g.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

 

5. 7.       Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

-       het bepaalde in lid 5.6. sub d en toestaan dat de gronden en bouwwerken, in combinatie met het wonen, worden gebruikt ten behoeve van:

a.    een bedrijf zoals genoemd in bijlage 1 onder categorie 1, c.q. een naar de aard en invloed daarmee gelijk te stellen bedrijf met uitzondering van geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;

b.    een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling;

c.    een horecabedrijf, in hoofdzaak gericht op logiesverstrekking;

mits:

1.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast;

3.    het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast. Uitsluitend niet-uitstekende, niet verlichte reclame-uitingen van beperkte omvang zijn toegestaan;

4.    er voldoende bergruimte in of bij de woning overblijft;

5.    het bedrijf wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning. Het totale aantal werkenden mag hierbij niet meer bedragen dan drie;

6.    het niet gaat om vormen van detailhandel, tenzij het productiegebonden detailhandel betreft;

7.    er geen onevenredige publieksaantrekkende werking van de activiteiten uitgaat;

8.    het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeer- en verkeersdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen.