direct naar inhoud van HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSVOORSCHIFTEN
Plan: Lekkum - Kealledykje 5
Status: Ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00800000WP01001OW-

Artikel 4: Agrarisch gebied

Doeleindenomschrijving

A.De op de kaart voor agrarisch gebied aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1.de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;

2.de uitoefening van het agrarisch aanverwante bedrijf in de vorm van een bijzondere paardenhouderij met de daarbijbehorende manege­activiteiten, al dan niet gecombineerd met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bijzondere paardenhouderij toegestaan";

3.het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, voorzover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bouwperceel" al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, die is genoemd in bijlage 1;

4.de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "karakteristiek";

met daaraan ondergeschikt:

5.het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke hoofdstructuur;

6.het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden van weidevogel- en vogelfourageergebieden, met name indien de gron­den op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "natuurwaarden";

7.de ontwikkeling van ecologische verbindingszones;

8.openbare nutsvoorzieningen;

9.recreatief medegebruik;

10.infrastructurele voorzieningen, met uitzondering van spoorwegen;

11.spoorwegen, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "spoorweg toegestaan";

12.waterhuishoudkundige voorzieningen;

13.(volks)tuinen en erven;

met de daarbijbehorende:

14.bedrijfsgebouwen;

15.bedrijfswoningen;

16.aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen;

17.torensilo's;

18.kassen;

19.bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

Beschrijving in Hooflijnen

 

B.De aan de gronden toegekende doeleinden zullen, uitgaande van de in de toelichting omschreven huidige situatie, met het plan worden nagestreefd op de wijze, zoals hierna in hoofdlijnen is beschreven.

1.Toetsingscriteria activiteiten binnen de bestemming

1.1.Agrarische bedrijfsvoering

A.Niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren kan als neventak worden ontwikkeld, mits de milieu­belastingsnormen niet worden overschreden en voldaan wordt aan de restricties ten behoeve van het dierenwelzijn.

Bij het bepalen van de aan die normen gekoppelde maximaal toelaatbare pro­ductie-omvang zal worden gelet op de relevante productieparameters, zoals grondareaal, SBE's en NGE's 3). Binnen aangegeven zones rond kernen, zoals weergegeven op de in bijlage 5 opgenomen kaart, is de verdere ontwikkeling van een dergelijke neventak boven de gegeven 1500 niet toegestaan. Hier zal de vrijstellingsbevoegdheid naar maximaal 4000 dus niet worden toegepast.

De ontwikkeling van de neventak dient in alle gevallen ondergeschikt te zijn aan de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Indicatie hiervoor is maximaal 50% van de productie-omvang van het agrarisch bedrijf. Daarboven is er geen sprake meer van een neventak, ook al wordt voldaan aan de oppervlaktevereisten.

Omzetting van een bestaand in hoofdzaak grondgebonden agrarisch bedrijf in een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zal mogelijk zijn na toepassing van de daarvoor opgenomen wijzigingsbevoegdheid, mits er milieuhygiënisch geen bezwaren bestaan. De mogelijkheid tot omzetting zal beperkt zijn tot de op de in bijlage 5 opgenomen kaart als zodanig aangegeven gebieden.

Nieuwvestiging van in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfs­voering in de vorm van het houden van dieren zal alleen bij uitzondering kunnen worden toegestaan, als er sprake is van een noodzakelijke verplaatsing in verband met de milieubelasting van bestaande en toekomstige woonlocaties binnen de gemeente.

3)Een Standaard Bedrijfs Eenheid (SBE) wordt gedefinieerd als een eenheid gestandaar­diseerde netto-toegevoegde waarde, berekend in een basisperiode, bij een doelmatige bedrijfsvoering én onder normale omstandigheden.

Een NGE staat voor Nederlandse Grootte Eenheid en vertegenwoordigt een aantal bruto standaardsaldi. Daarmee wordt de bedrijfsgrootte van een agrarisch bedrijf landbouwkun­dig gezien uitgedrukt. Met de hier gehanteerde norm is het mogelijk om een beoordeling te maken van de productie-omvang van een heel bedrijf en zijn afzonderlijke produc­tierichtingen.

 

Nieuwvestiging zal uitsluitend mogelijk zijn binnen de op de in bijlage 5 opge­nomen kaart als zodanig aangegeven gebieden.

B.De aanduiding "bijzondere paardenhouderij toegestaan" kan worden verwijderd, indien de bedrijfsactiviteiten van het paardenhouderijbedrijf ter plaatse worden beëindigd of wanneer het paardenhouderijbedrijf wordt omgezet in een ander agrarisch bedrijf. Bij bedrijfsbeëindiging zal de wijzigingsbevoegdheid worden toegepast in combinatie met de wijzi­gingsbevoegdheid om het bouwperceel geheel dan wel gedeeltelijk te verwijderen. Bij omzetting naar een regulier agrarisch bedrijf kan de wijziging zich beperken tot verwijdering van de aanduiding "bijzondere paardenhouderij toegestaan". In dat geval gelden tevens de criteria voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven, zoals hierna opgenomen onder punt 1.6.

C.Bij het toestaan van een uitbreiding van bebouwing c.q. nieuwe bebouwing ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zullen de volgende ruimtelijke overwe­gingen een rol spelen:

1.de landschappelijke inpassing/openheid;

2.de invloed op functies in de omgeving die gevoelig zijn voor met name stankhinder, zoals wonen en recreatie;

3.invloed op verzuring, verstoring en vermesting en andere invloeden op het natuurlijke milieu;

4.de transportbehoefte in relatie tot de omgeving, de bereikbaarheid en het beschikbare wegennet.

 

1.2.Bebouwing op bouwpercelen

A.Binnen de op de kaart aangegeven bouwpercelen wordt gestreefd naar een concentratie van de bebouwing, naar compactheid en ruimtelijke samenhang.

Bij nieuwbouw dient gelet te worden op de relatie met het aanwezige bebou­wingspatroon en de eventueel aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische of archeologische waarden van de bouwpercelen.

B.Kassen zijn, als ondersteunend glas, binnen de in de bebouwingsbepa­lingen aangegeven maatvoering op agrarische bouwpercelen toege­staan. Uitgangspunt is dat de kassen een ondergeschikte bijdrage leveren aan het totale agrarische bedrijf.

1.3.Bebouwing c.q. gebruik buiten bouwpercelen

A.Indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering nodig is, kunnen buiten het bouwperceel zomermelkstallen e.d worden gebouwd. Uitgangspunt is maximaal één per agrarisch bedrijf.

B.Mest- en productenopslag dient op het bouwperceel plaats te vinden. Wanneer dit om bedrijfseconomische (ontsluitings-) of milieu-redenen (bijvoorbeeld in verband met de nabijheid van woningen) niet mogelijk is, kan de mestopslag ook buiten het bouwperceel plaatsvinden. Situering dient dan direct aansluitend op het bouwperceel te worden nagestreefd. In uitzonderingsgevallen kan meegewerkt worden aan mestopslag op grotere afstand van bouwpercelen, mits daartoe een bedrijfstechnisch noodzaak aanwezig is. Dit moet tevens worden getoetst aan de mogelij­ke aantasting van landschappelijke waarden, alsook aan milieubescher­mingsgebieden en van nabije natuurgebieden. Tevens moet voor een goede, verkeersveilige ontsluiting worden gezorgd.

1.4.Tweede bedrijfswoning

Een tweede bedrijfswoning op een agrarisch bouwperceel bij agrarische bedrijven kan alleen worden toegelaten als dit als gevolg van de aard van de bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is.

Dit kan het geval zijn wanneer zulks voor een goede bedrijfsvoering en een constant toezicht op het bedrijf nodig is en er sprake is van een meer­mansbedrijf met tenminste 1,75 volwaardige arbeidskracht.

Tevens zal er in deze gevallen worden getoetst aan de zekerheid omtrent de duurzaamheid van het bedrijf als volwaardig meermansbedrijf. Dit kan het geval zijn als er sprake is van een redelijke verwachting dat het bedrijf zal worden voortgezet en/of uitgebreid.

1.5.Wijziging bouwpercelen

A.De wijzigingsbevoegdheid om het bouwperceel te vergroten zal alleen wor­den toegepast als er zicht is op langdurige vergroting van de productie­omvang. Bij deze verandering van bouwpercelen zal in het bijzonder moeten worden gelet op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, waaronder de verkavelingsrichting.

Tevens zal moeten worden gelet op de relatie met het aanwezige bebou­wingspatroon en de nabijheid van milieugevoelige functies.

B.De wijzigingsbevoegdheid om een bouwperceel te verkleinen zal worden toegepast als de bedrijfsontwikkeling hiertoe aanleiding geeft bijvoorbeeld wanneer de agrarische bedrijfsvoering in hoofdzaak wordt beëindigd, maar in beperkte omvang (agrarische nevenactiviteit) wordt voortgezet.

De wijzigingsbevoegdheid zal tevens, in combinatie met de wijzigings­bevoegdheid om het bouwperceel te vergroten, kunnen worden toege­past ten behoeve van vormverandering van het bouwperceel. Voorts zal de wijzigingsbevoegdheid gecombineerd kunnen worden toegepast met de wijziging van de agrarische bestemming naar een woon-, bedrijfs- of andere bestemming. In dat geval dient het nog niet bebouwde deel van het agrarisch bouwperceel, dat geen andere bestemming krijgt, te wor­den onttrokken aan de agrarische bouwmogelijkheden.

 

1. 6.Nieuwe agrarische bouwpercelen

A.Wijziging ten behoeve van nieuwe agrarische bouwpercelen wordt toe­gepast voor volwaardige, in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrij­ven. Bij de toets of een agrarisch bedrijf volwaardig is, zal in ieder geval worden gelet op de volgende criteria:

1.de omvang van het te vestigen bedrijf dient zódanig te zijn dat het werk en inkomen biedt aan tenminste één arbeidskracht, dan wel er dient redelijke zekerheid te bestaan dat het bedrijf binnen een redelijke termijn tot een volwaardige omvang zal uitgroeien (reëel bedrijf);

2.de aanvrager dient in hoofdberoep aan het bedrijf te zijn verbonden;

3.er dient een zodanige bedrijfsopzet te zijn dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als zelfstandig bedrijf.

B.In eerste instantie wordt gestreefd naar bouwpercelen met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare. Is op het moment van vestiging reeds aantoonbaar te voorzien dat dit voor een verantwoorde bedrijfseconomi­sche ontwikkeling onvoldoende is of wanneer sprake is van een vol­waardig meermansbedrijf, dan kan een grotere oppervlakte worden toe­gestaan (maximaal 2 hectare). Indien er een bedrijfseconomische nood­zaak en -situatie aanwezig is, kan deze grotere oppervlakte ook verdeeld worden over twee afzonderlijke bouwpercelen met een maximale ge­zamenlijke oppervlakte van 2 hectare uitsluitend ten behoeve van één agrarisch bedrijf (meermansbedrijf). Hierbij gelden dezelfde ruimtelijke criteria als bij de toelaatbaarheid van nieuwe agrarische bouwpercelen.

C.Het creëren van bouwpercelen voor nieuwe agrarische bedrijven, zal niét worden toegestaan binnen de gebieden die zich kenmerken door waardevolle openheid en/of structuurbepalende en individuele elementen van de diverse landschapstypes (hoofdstuk 2.2) en binnen de gebieden rond de vliegbasis vanwege de veiligheidszones rond de munitie­opslagplaatsen.

Nieuwvestiging zal daarom in beginsel alleen worden toegestaan in zones langs wegen of in aansluiting op bestaande ruimtelijke verdichtingen als Miedum, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 5. Daarbij zal in het bijzonder worden gelet op de verkavelingsrichting en/of de relatie met het aanwezige bebouwingspatroon en de nabijheid van milieugevoelige functies.

Voorts moet de mest- en milieuwetgeving het nieuwe bedrijf mogelijk maken.

D.Behalve voor volwaardige agrarische bedrijven kan ook een nieuw bouw­perceel worden aangegeven voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid met een beperkte, doch reële agrarische activiteit.

Alsdan zal een klein bouwperceel worden gelegd, afgestemd op de bestaande ruimtelijke eenheid (maximale omvang 0,5 ha). Bij eventuele doorgroei naar een volwaardig bedrijf kan het bouwperceel worden vergroot.

1.7.Aanlegvergunningenstelsel

 

A.Voor toetsing van aanlegvergunningsplichtige activiteiten ten behoeve van een bepaalde functie wordt uitgegaan van het beginsel dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van andere functies.

B.Toetsing zal plaatsvinden aan de hand van het volgende schema vanuit de vraag of er al dan niet sprake is van een onevenredige afbreuk aan land­schap of natuur (weidevogelbeheer, vogelfourageergebied) dan wel beide en of de agrarische activiteit al dan niet kan worden toegestaan:

Toetsingsschema

Gevolgen van de activiteit voor landschap of natuur

Vrijwel afwezig

Matig

Groot

Nut van de agrarische activiteit ↓

 

 

 

Gering

toestaan

niet toestaan, tenzij onder voorwaarden

niet toestaan

Redelijk groot

toestaan 

toestaan onder voorwaarden

niet toestaan, tenzij onder voorwaarden

Groot

toestaan

toestaan

toestaan, mits compensatie

 

C.Voor de toetsing van aanlegvergunningsplichtige activiteiten vanuit de toe­gevoegde functies (recreatie, infrastructuur, e.d.) geldt dat de activiteiten kunnen plaatsvinden wanneer geen of slechts marginale schade aan de basisfuncties (landbouw en landschap) wordt toegebracht. Binnen het agrarisch gebied met "natuurwaarden" mag bij het toestaan van activitei­ten voorts geen schade worden toegebracht aan de natuurwaarden van het weidevogel- en fourageergebied.

De toegevoegde functies zijn ondergeschikt aan de basisfuncties.

Door het stellen van voorwaarden kan eventuele schade worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt.

Voor toetsing van toegevoegde functies onderling, wordt uitgegaan van ne­vengeschiktheid.

D.In het open landschap zijn naast de openheid vooral ook de verkave­lingsrichting, het kavelpatroon en de structuurbepalende en individuele elementen van het landschap belangrijk (hoofdstuk 2.2 van de toelich­ting). Aan deze aspecten mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan.

E.Voor de aanlegvergunningsplichtige realisering van ecologische verbin­dingszones grotendeels grenzend aan het agrarisch gebied, geldt dat deze aan moeten sluiten op watergangen of kavelsloten met hun oever­stroken.

F.Voor het aanlegvergunningsplichtig aanplanten van bomen en houtgewas, geldt dat deze niet zal worden verleend binnen de gebieden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "beperking hoogte bouwwerken en beplanting", in verband met het vrijwaren van obstakelvrije hoogtes ten behoeve van het vliegverkeer van de vliegbasis.

1.8.Regeling karakteristieke panden

A.Bij de beoordeling van bouwplannen zal erop worden gelet dat de karakte­ristieke hoofdvorm zoveel mogelijk intact blijft.

B.Als door verbeteringswerkzaamheden dan wel veranderde inzichten een niet als karakteristiek aangeduid pand (weer) karakteristiek wordt, dan kan de aanduiding "karakteristiek" op het pand worden gelegd.

C.Als blijkt dat een karakteristieke hoofdvorm niet te handhaven is in relatie tot de functie die het pand moet vervullen, dan kan de aanduiding "karakte­ristiek" worden verwijderd.

D.Sloop van karakteristieke panden kan worden toegestaan indien:

1.de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;

2.de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet is te handhaven;

3.het delen van een pand of aan- of uitbouwen of bijgebouwen betreft die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.

1.9.Logiesverstrekking

De vrijstelling voor een logiesverstrekking zal in ieder geval worden getoetst

aan de volgende criteria:

- de bedrijvigheid moet gekoppeld zijn aan het gebruik van de bedrijfswoning en daaraan ondergeschikt zijn;

- de ruimtes voor logiesverstrekking dienen in het hoofdgebouw te worden ondergebracht.

1.10.Productiegebonden detailhandel

Bij de vrijstelling voor productiegebonden detailhandel binnen deze bestem­ming zal worden getoetst op de invloed op het winkelapparaat in de kernen en de stad. Daaraan mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan. Ook zal worden getoetst aan de voorgeschreven ondergeschiktheid aan de productiefunctie. Vestiging zal in bestaande bebouwing moeten plaatsvinden, terwijl er verder van vormen van detailhandel wordt uitgegaan met een lokaal verzorgings­gebied. Productiegebonden detailhandel bij agrarische bedrijven dient beperkt te worden tot de agrarische bedrijfs-/streekeigen producten (kaas e.d.), welke tevens ter plaatse worden bereid en verwerkt.

 

1.11.Recreatief medegebruik

Het binnen deze bestemming bij recht toegestane recreatief medegebruik zal uitsluitend bestaan uit dagrecreatieve voorzieningen (picknickplaatsen, fiets- en wandelroutes, vaarroutes, e.d.). De aanleg hiervan dient geen onevenre­dige afbreuk te doen aan de agrarische, landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied. Het recreatief medegebruik mag niet bestaan in vormen van verblijfsrecreatie. Wel kan vrijstelling worden verleend voor logiesverstrekking en kamperen, onder de daarvoor geldende criteria (zie hiervóór onder 1.9 en hierna in artikel 38 lid E).

1.12.Opheffen spoorweg

Wanneer de concessie voor de spoorweg Leeuwarden-Stiens wordt inge­trokken, kan de aanduiding "spoorweg toegestaan" van de kaart worden verwijderd.

2.Toetsingscriteria wijziging naar een andere bestemming

2.1.Natuurontwikkeling

A.Wijziging van een agrarische bestemming in een natuurbestemming is via toepassing van een algemene wijzigingsbevoegdheid mogelijk. Zo'n wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden, zoals de landschapskarakteristieken (reliëf, bodemstructuur, beplanting), de archeologisch waardevolle gebieden en/of het nederzettingspatroon.

Voor zover passend binnen de beheersdoelstellingen, zullen in gebieden waarin natuur- en landschapsontwikkeling plaatsvindt, de mogelijkheden voor agrarische bedrijvigheid gehandhaafd worden.

B.Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt:

1.de wijziging moet worden afgewogen tegen de effecten voor de aangren­zende agrarische gronden. Er mag geen sprake zijn van onevenre­dige schade voor het agrarisch gebied;

2.de wijziging zal betrekking hebben op gronden die:

a.met betrekking tot de externe productie-omstandigheden reeds beperkingen ondervinden en/of die landbouwkundig beperkte gebruiksmogelijkheden hebben, dan wel;

b.nodig zijn voor de afronding van natuurgebieden, dan wel; c.liggen in het traject van een ecologische verbindingszone.

2.2.Functieverandering bouwpercelen

Een functieverandering van agrarische bebouwing, zal door middel van de volgende stappen worden beoordeeld:

A.Eerst wordt nagegaan of een gebruik ten behoeve van de gebiedseigen functies mogelijk is, bijvoorbeeld als beheers- of bedrijfsgebouw voor de

functies natuur of landschap. Als hiervan geen sprake is, komt een andere functie in aanmerking. Vrijkomende bebouwing dient vervolgens bij voorkeur te worden aangewend

voor de woonfunctie. Deze dient te worden gehuisvest in het oorspron­kelijke hoofdgebouw.

B.Als geen gebiedseigen functie mogelijk is, wordt beoordeeld in hoeverre een bedrijfsfunctie in de vrijkomende bebouwing kan worden onder­gebracht. Binnen deze functieverandering moet sprake zijn van lichte vormen van bedrijvigheid. Bij het toestaan van deze functies zijn de cri­teria genoemd in artikel 12 lid B sub 1.1 van overeenkomstige toepas­sing.

C.De functieverandering, met name de wijziging naar "Woondoeleinden", mag niet leiden tot onevenredige afbreuk van de (agrarische) bedrijfsfunctie in de nabijheid, in die zin dat naburige (agrarische) bedrijven er door in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

D.Bij de functieverandering wordt ernaar gestreefd het voormalige boer­derijpand of andere karakteristieke dan wel beeldbepalende bouwvor­men, als landschappelijke verschijningsvorm te handhaven.

Bij verandering naar een woonfunctie, dan wel een toegelaten bedrijfsfunctie, wordt er tevens naar gestreefd alle met het wonen of het bedrijf verbonden functies zoveel mogelijk onder te brengen in het hoofdge­bouw en de daarbijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

E.Bij het leggen van de nieuwe bestemming wordt doorgaans ook de wijzigingsbevoegdheid toegepast om het bouwperceel van de kaart te verwijderen. Ten aanzien hiervan zijn hiervóór criteria geformuleerd onder punt 1.5. onder B.

2.3.Vergroting tuinen bij woningen

Wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied" naar de bestemming "Woon­doeleinden" kan ook geschieden ten behoeve van uitbreiding van tuinen bij woningen. Zodanige toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zal uitsluitend kunnen plaatsvinden ten behoeve van de vergroting van percelen met een bestemming "Woondoeleinden" tot een maximum van 2000 . Er dient een zodanige afstand aangehouden te worden tot agrarische en andere bedrijven, dat deze niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. De erven dienen landschappelijk te worden ingepast en als één geheel te worden ingericht.

Bebouwingsbepalingen

C.1.Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.er zullen uitsluitend gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;

b.de gebouwen zullen uitsluitend worden gebouwd op de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bouwperceel";

c.per gebied, dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "bouwperceel", mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd;

d.de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een niet­grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zal per bouwperceel ten hoogste 1500 bedragen;

e.het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bouwperceel bedragen;

f.het aantal torensilo's zal ten hoogste 2 per bouwperceel bedragen;

g.het bebouwingspercentage zal per bouwperceel niet meer dan 70% bedragen, waarbij de oppervlakte van de bebouwing maximaal 10.000 zal bedragen;

h.de maatvoering van een gebouw zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:

 

maximale opper­vlakte in

goothoogte in m

dakhelling in °

hoogte in m

 

per gebouw

gezamen-lijk

max

 min

max

max

bedrijfsgebouw

 -

-

4,00

15

60

15,00

bedrijfswoning

150

-

4,00

20

60

 

aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de be­drijfswoning

-

50

3,00

 

60

-

torensilo

80

-

-

-

-

15,00

kassen

-

1000

4,00

-

-

7,00

 

2.Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

 a.silo's zijn niet toegestaan buiten het bouwperceel;

 b.de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal binnen het bouwperceel ten hoogste 15,00 m bedragen;

 c.de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal buiten het bouwperceel ten hoogste 5,00 m bedragen.

 

Nadere eisen

D.Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, waarbij met name rekening zal worden gehouden met de algemene criteria, zoals die zijn opgenomen in artikel 3 lid 2.

Vrijstelling van de bebouwingsbepalingen

 E.Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

1.het bepaalde in lid C sub 1 onder b en toestaan dat ten behoeve van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een gebouw buiten het bouwperceel wordt gebouwd, mits:

a.de oppervlakte van het gebouw niet meer bedraagt dan 100 ;

b.de hoogte van het gebouw niet meer bedraagt dan 4,00 m;

c.deze vrijstelling niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "geen gebouwen toegestaan";

d.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.3 onder A en artikel 23 lid B;

 

2.het bepaalde in lid C sub 1 onder d en toestaan dat de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische be­drijfsvoering in de vorm van het houden van dieren wordt vergroot tot 4000 , mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.1 onder A en C;

 

3.het bepaalde in lid C sub 1 onder e en toestaan dat er een tweede bedrijfswoning op het bouwperceel wordt gebouwd, mits:

a.dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering;

b.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.4 c.q. artikel 23 lid B, artikel 24 lid B sub 2 en artikel 25 lid B sub 1;

 

4.het bepaalde in lid C sub 1 onder h en toestaan dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen wordt vergroot tot 7,50 m, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3 lid 2 sub C en J;

5.het bepaalde in lid C sub 1 onder h en toestaan dat de hoogte van torensilo's wordt vergroot tot 30,00 m, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3 lid 2 sub C en J;

6.het bepaalde in lid C sub 2 onder a en toestaan dat silo's buiten het agrarisch bouwperceel worden gebouwd, mits:

a.de oppervlakte van een silo ten hoogste 750 zal bedragen;

b.de hoogte van een silo zal ten hoogste 4,00 m, exclusief afdekking, bedragen;

c.ten behoeve van mestsilo's tevens de in lid H sub 1 genoemde vrijstelling is verleend;

d.deze vrijstelling niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "geen gebouwen toegestaan";

e.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.3 onder B en artikel 23 lid B;

 

7.het bepaalde in lid C sub 2 onder c en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 15,00 m, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3 lid 2 sub C en J en artikel 21 lid B.

Aanlegvergunningen

F.1.Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijk vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.het aanplanten van bomen en/of houtgewas, al dan niet ten behoeve van houtteelt over een oppervlakte van meer dan 100 ;

b.het verharden van perceel- en/of kavelontsluitingswegen buiten het bouwperceel met een grotere breedte dan 4,00 m;

c.het aanbrengen van oppervlakteverhardingen buiten het bouwperceel, niet zijnde perceel- en/of kavelontsluitingswegen, met een oppervlakte van meer dan 100 ;

d.het aanleggen van verharde en halfverharde paden;

e.het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;

f.het graven of dempen van watergangen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft;

g.het slopen van gebouwen, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "karakteristiek".

 

2.Indien   de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "natuurwaarden" is het tevens verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.het aanbrengen van drainage;

b.het scheuren en frezen van grasland, waaronder begrepen het omzetten van grasland in bouwland.

3.Het in lid F sub 1 en 2 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a.het normale onderhoud betreffen;

b.reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

4.De in lid F sub 1 en 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend met inachtneming van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, met name het gestelde in lid B sub 1.7 en 1.8.

Strijdig gebruik

G.Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 38 lid A, wordt in ieder geval gerekend:

1.het gebruik van bedrijfswoningen in combinatie met een aan-huis­verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activi­teit, indien de bedrijfsvloeroppervlakte groter is dan 30% van de ge­zamenlijke begane vloeroppervlakte van de gebouwen, exclusief de vrijstaande bijgebouwen, op het bouwperceel, met een maximum van 50 ;

2.het gebruik van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;

3.het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;

4.het storten van puin en afvalstoffen;

5.de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;

6.het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten buiten het bouw­perceel;

7.het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een intensief veehoude­rijbedrijf;

8.het gebruik van gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden;

9.het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel.

Vrijstelling van de gebruiksbepalingen

H.Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

1.het bepaalde in lid G sub 6 juncto artikel 38 lid A en toestaan dat gronden en bouwwerken buiten het bouwperceel worden gebruikt voor het opslaan van mest, mits;

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.3 onder B;

 

2.het bepaalde in lid G sub 8 juncto artikel 38 lid A en toestaan dat gebouwen worden gebruikt voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.9 en artikel 23 lid B;

 

3.het bepaalde in lid G sub 9 juncto artikel 38 lid A en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de uitoefening van productiegebonden detailhandel bij agrarische bedrijven, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.10.

 

Wijzigingsbevoegdheid

I.Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in

de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, het plan wijzigen in die zin dat:

1.de gronden worden voorzien van de aanduiding "intensief veehouderijbedrijf toegestaan", mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.1 onder A en C;

 

2.aan een bouwperceel grenzende gronden worden voorzien van de aanduiding "bouwperceel", mits:

a.de oppervlakte van een bouwperceel met ten hoogste 5000 wordt vergroot;

b.deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "geen gebouwen toegestaan";

c.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.5 onder A en artikel 23 lid B;

 

3.op de kaart een nieuw bouwperceel wordt aangegeven, mits:

a.deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "natuurwaarden";

b.deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "geen gebouwen toegestaan";

c.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.6 en artikel 23 lid B;

 

4.een op de kaart aangegeven bouwperceel geheel of gedeeltelijk van de kaart wordt verwijderd, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B 1.5 onder B;

5.de gronden buiten het bouwperceel op de kaart worden voorzien van de aanduiding "mestopslag toegestaan", mits:

a.de oppervlakte van een mestsilo ten hoogste 1500 zal bedragen;

b.de hoogte van een mestsilo, inclusief afdekking, ten hoogste 5,00 m zal bedragen;

c.deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "geen gebouwen toegestaan";

d.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.3 onder B;

 

7.de aanduiding "bijzondere paardenhouderij toegestaan" van de kaart wordt verwijderd, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.1 onder B;

 

6.de aanduiding "karakteristiek" op de kaart wordt aangebracht, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.8 onder B;

7.de aanduiding "karakteristiek" van de kaart wordt verwijderd, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.8 onder C;

 

8.de aanduiding "spoorweg toegestaan" van de kaart wordt verwijderd, mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 1.12;

9.de bestemming "Agrarisch gebied" wordt gewijzigd in de bestemming "Natuurgebied", mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 2.1 onder A en B;

 

10.de bestemming "Agrarisch gebied" wordt gewijzigd in de bestemming "Woondoeleinden", mits:

a.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 2.2 onder A, C en D;

b.deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bouwperceel";

11.de bestemming "Agrarisch gebied" wordt gewijzigd in de bestemming "Woondoeleinden", mits:

--met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 2.3;

12.de bestemming "Agrarisch gebied" wordt gewijzigd in de bestemming "Agrarisch dienstverlenend bedrijf" of "Bedrijfsdoeleinden", mits:

a.deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bouwperceel";

b.met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in lid B sub 2.2 onder B, C en D.